Actualiteiten

Gerstrassenonderzoek in de media

dinsdag, 20 maart, 2018

Tijdens de tweede NIBEM-ketendag op 1 februari spraken telers, veredelaars, mouters en brouwers over de toekomst van het jaarlijkse gerstrassenonderzoek. Diverse media spraken er over.

Toekomst gerstrassenonderzoek staat op losse schroeven

bron: akkerwijzer.nl

Het Nederlands gerstrassenonderzoek zit financieel in zwaar weer. Volgens Martijn van Iersel (voorzitter van de Werkgroep gerstrassenonderzoek) moeten alle deelnemende partners – Plantum, PPO en NIBEM – snel hun verantwoordelijkheid nemen om dit reeds vele decennia lopende onderzoek overeind te houden. Gebeurt dit niet dan voorziet Van Iersel dat het gerstrassenonderzoek binnen twee tot drie jaar noodgedwongen tot een eind komt.

Volgens Van Iersel, morgen spreker op de tweede ketendag van de Stichting Nederlands Instituut voor Brouwgerst, Mout en Bier (NIBEM) in Utrecht, zijn de financiële problemen voor het gerstrassenonderzoek ontstaan na de opheffing van de Productschappen. „Het onderzoek is nu te veel afhankelijk van de individuele partijen en dan beland je financieel al snel in een patstelling met het gevaar dat het onderzoek over een tijdje niet meer bestaat.” Volgens Van Iersel is er momenteel te weinig consensus. „De verschillende partijen zien te weinig het belang van dit onderzoek en zijn daarom niet bereid hier geld voor uit te trekken. Iedereen kijkt naar elkaar en wacht nu tot iemand de eerste stap zet.”

Onderzoek continu proces

Volgens Van Iersel is het gerstrassenonderzoek een belangrijk en continue proces, waarbij steeds opnieuw wordt gekeken naar nieuwe gerstrassen die voor de hele keten – van teler tot mouter – interessant zijn. „De meeste rassen zitten zo’n twee tot vier jaar in het onderzoek en elk jaar zijn er wel weer nieuwe rassen die worden bekeken. Het onderzoek is een samenspel, waarbij gekeken wordt naar rassen met een goed rendement voor de teler en dat in combinatie met een goede kwaliteit voor de brouwer.”

Brouwgerstmarkt

In Nederland wordt er volgens Van Iersel momenteel jaarlijks zo’n 120.000 ton brouwgerst geteeld. Hiervan gaat het overgrote deel naar mouterijen in eigen land en de rest is voor export naar met name België en Duitsland. Van Iersel: „Irina en Planet zijn nu de meest geteelde brouwgerstrassen. De zomergerst wordt voor de volle honderd procent als brouwgerst geoogst, de wintertarwe is slechts deels als brouwwaardig geschikt.”

Ketendag

Op de tweede NIBEM-ketendag spreekt ook akkerbouwer Örjan Schrauwen over zijn ervaringen met het telen van brouwgerst. Verder staan er ook een tweetal paneldiscussies tussen publiek en experts over het gerstrassenonderzoek gepland. Enkele stellingen die aan de orde komen, zijn: ‘De brouw-mouteigenschappen van de voor Nederlandse geschikte gerstrassen behoeven verbetering’, ‘De eisen van de Nederlandse brouwers m.b.t. eiwitgehalte zijn te moeilijk te behalen voor de telers’ en ‘Brouwgerstteelt is een volwaardige concurrent van tarweteelt’

 

Onderzoek brouwgerst zoekt financiering

Op de Nibem-ketendag was het thema vooral gericht op de teelt en het onderzoek van gerstrassen. De financiering van het rassenonderzoek bevindt zich door het wegvallen van het Productschap Akkerbouw in een onzekere periode. Het Nibem moet voldoende bijdragen bij elkaar zien te krijgen in de keten van gerst tot bier.

De Nibem-ketendag was vorige week donderdag in Stadskasteel Oudaen in Utrecht. Nibem staat voor het Nederlands instituut voor brouwgerst, mout en bier. Sinds enkele jaren houdt het instituut een ketendag waarbij alle schakels van de keten zijn vertegenwoordigd en waarbij de organisatie een bepaald thema naar voren haalt.

Deze keer was het thema ‘Teelt en onderzoek’. Daarmee had de organisatie gelijk al een heet hangijzer te pakken, namelijk het rassenonderzoek. Dat wordt tot op heden, en waarschijnlijk tot en met volgend jaar, gefinancierd door het Nibem.

Onzekere toekomst

Maar naar de toekomst lijkt deze financieringsformule onzeker en moet er naar een andere vorm van financiële ondersteuning worden uitgekeken. In het verleden werden dit soort onderzoeken gefinancierd door de brouwers, de mouters en het Productschap Akkerbouw, maar sinds het wegvallen hiervan is die vorm van financiering over.

Het rassenonderzoek in Nederland heeft een goede naam

‘Door het ontbreken van financieringsmogelijkheden van het Nibem is het belangrijk om het als keten voor elkaar te krijgen dat elke partij zijn bijdrage levert aan het onderzoek’, zegt Nibem-voorzitter Hubert te Braake. ‘Het is de uitdaging om ook de telers en de collecteurs erbij te krijgen. Het rassenonderzoek in Nederland heeft een goede naam. Het is het goedkoopste en meest efficiëntst in heel Europa.’

Tonnen gerst

In ons land verwerken mouterijen jaarlijks ongeveer 600.000 ton gerst. Hiervan is 120.000 ton geteeld in Nederland. De rest wordt geïmporteerd. Akkerbouwers telen in ons land zo’n 20.000 hectare zomergerst en 9.000 hectare wintergerst.

Zomergerst wordt bijna allemaal afgezet als brouwgerst en wintergerst als voergerst, met slechts een klein deel als brouwgerst. Het verschil zit onder andere in de vorm van de aar. De zomergerst heeft een meer uniforme korrel dan wintergerst. Mouters hebben daarom liever zomergerst dan wintergerst.

Gerstrassenonderzoek

Martijn van Iersel van Holland Malt is voorzitter van de werkgroep gerstrassenonderzoek van het Nibem. Hij geeft aan dat er rassenproeven op verschillende locaties worden gehouden en die worden gefinancierd door de kwekers. Het Nibem financiert het onderzoek naar de brouwkwaliteit.

Van Iersel legt uit dat er twee invloeden zijn: raseigenschappen (genetisch) en omgevingseigenschappen (klimaat en bodem). Het samenspel van klimaat, bodem en raseigenschappen bepaalt de uiteindelijke kwaliteit. Moeilijkheid daarbij is dat in geval van zandgronden er vaak sprake is van meer variatie in een perceel (bonter). ‘Daarom kies je bij rassenproeven veelal voor kleigronden.’

Twee factoren

Een ras heeft bepaalde eigenschappen in zich, maar ook de plaats waar het groeit. Dat zijn twee evenwaardige factoren die evenveel invloed hebben. Als je een partij gerst van hetzelfde ras neemt dat bijvoorbeeld in het zuidwesten is gegroeid of in het noorden van ons land, dan kan dat verschillende eigenschappen hebben.

Klimaat en grondsoort hebben invloed. Door de homogenere samenstelling van kleigrond levert dat ook homogenere kwaliteit mout.

Variatie

Voor mouters is variatie in de rassen belangrijk. Ze zeggen ervoor te moeten waken dat heel Europa op één ras gaat zitten, dit om risico’s te spreiden. Ze willen ook verscheidenheid om steeds een stabiele kwaliteit te bereiken.

Belangrijk zijn de filtratie in de brouwerij en de stabiliteit van het extract, dat is de hoeveelheid in suiker omgezette zetmeel. Als belangrijke technische eigenschappen voor de mouters noemt Van Iersel de wateropname, snelheid van het kiemen en tijd en intensiteit van vermouting.

Zomerbrouwgerst

Het onderzoek naar gerstrassen betreft alleen de zomerbrouwgerst. Voor winterbrouwgerst is de oppervlakte te klein en het is een heel ander gewas. Om een nieuw ras te kweken, kost bij zomergerst rond de zeven jaar. Bij wintergerst ga je richting tien jaar.

In Rilland kweekt Limagrain rassen voor West-Europa, met name voor Frankrijk, Duitsland en Scandinavië. ‘In de eerste plaats kijken we richting telers naar een goede opbrengst en resistenties’, zegt Ton Wouda van Limagrain.

Strostevigheid

‘De strostevigheid is ook een belangrijke eigenschap. Als een gewas legert, heb je veel minder kwaliteit. Als tweede is de brouwkwaliteit uiteraard belangrijk. Daarvoor kijken we naar het duizendkorrelgewicht en het aandeel volgerst, met een eiwitgehalte tussen de 9,5 en 11,5 procent, en de mate van uniforme korrels met een kiemkracht van minimaal 95 procent.’

Akkerbouwer Örjan Schrauwen uit Zevenbergen gaf van telerszijde aan dat je met een goede opbrengst toch nog een negatief saldo overhoudt. Schrauwen ziet granen als een noodzakelijk onderdeel van het bouwplan om de grond voor de renderende teelten op orde te krijgen.